Geuroverlast door houtstook: een onderschat aspect

Er zijn tegenwoordig zoveel grote bronnen van vervuiling in het nieuws, dat de emissies van houtkachels soms een beetje in het niet lijken te vallen: cruiseschepen/scheepvaart, uitstoot van veeteelt, vliegverkeer etc. Daarom moeten we bij houtstook – die een niet onaanzienlijke bijdrage levert aan het totale fijnstofgehalte in de Nederlandse lucht – niet teveel aansluiten bij wat verschillende soorten vervuiling gemeen hebben, maar ons juist concentreren op dat wat houtstook daarvan onderscheidt: bij voorbeeld de hoge plaatselijke uitstoot van kankerverwekkend benzeen (die bovendien een wettelijke – en op 1 oktober 2017 aangescherpte – grenswaarde heeft), het specifieke lokale karakter op dichtbevolkte plekken, en niet te vergeten: de stánk.

Natuurlijk is de schadelijke uitstoot van houtstook een reden tot grote ongerustheid, maar alleen de geuroverlast zou al genoeg aanleiding tot ingrijpen moeten zijn. Voor de aanwezigheid van bedrijven en landbouw nabij woonkernen is er immers óók een geurbeleid? Met behulp van onder andere de NTA-norm 9065 (Luchtkwaliteit – Geurmetingen – Meten en rekenen geur) probeert de overheid de geuroverlast van deze sector te verminderen en terug te brengen tot een acceptabel niveau.

‘Gezondheid’

Al in 1977 definieerde de Gezondheidsraad – in navolging van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) – het begrip gezondheid als volgt: gezondheid is niet slechts afwezigheid van ziekte of gebreken, maar een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welbevinden. Bij ‘welbevinden’ speelt ook geurhinder een belangrijke rol. Onderzoek wijst uit dat de kwaliteit van leven afneemt naarmate mensen meer met geurhinder worden geconfronteerd.

Rapporten van bijvoorbeeld het RIVM en de Gezondheidsraad houden zich waar het geurhinder betreft vooral bezig met de emissies van industrie en veehouderijen, omdat ‘vanuit een goede ruimtelijke ordening er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij woningen.’ Naar geurhinder bij woningen ten gevolge van houtstook is nog nooit onderzoek gedaan.

Bij geurhinder zijn een aantal factoren in het spel: de frequentie en duur, evenals de intensiteit en het karakter van de geur. Geurhinder leidt tot aangepast gedrag (denk aan het afplakken van ramen en deuren of aan vermindering van activiteiten buitenshuis) en kan lichamelijke klachten geven als hoofdpijn, prikkeling van slijmvliezen, misselijkheid en slaapproblemen, niet in de laatste plaats vanwege verslechtering van het binnenmilieu door minder gelegenheid tot ventileren.

Dit speelt in sterkere mate voor mensen met astma, allergieën of bepaalde vormen van overgevoeligheid. Ook als mensen (nog) geen lichamelijke klachten ervaren, kunnen ze bezorgd zijn over de kwaliteit van het plaatselijke milieu. Ergernis en ongerustheid over gezondheidsrisico’s kunnen stress en depressie in de hand werken, evenals het gebrek aan controle op de situatie en de wetenschap dat men er zich in zijn eigen woning niet aan kan onttrekken — effecten die in de vorm van ziektekosten en arbeidsverzuim ook een economische impact hebben.

Houtrookoverlast

Houtstook in open haarden en houtkachels is in Nederland de meest genoemde bron van geuroverlast in de directe leefomgeving (RIVM). Uit CBS-cijfers blijkt dat al in 2009 11% van de Nederlandse bevolking hiervan hinder ondervond, méér dan van de geuroverlast door landbouw, verkeer en industrie. Sindsdien is het aantal houtkachels alleen maar toegenomen. Een onderzoek van Motivaction in opdracht van Milieu Centraal uit 2015 concludeert ‘dat bijna de helft van de Nederlanders aangeeft dat houtstoken voor stank zorgt.’

De WHO vindt dat er al sprake is van een probleem wanneer 5% van de bevolking gedurende 2% van de tijd hinder ondervindt door stank. Bij houtstook gaat het om de urenlange dagelijkse belasting van hele woonwijken, ook doordat houtstook steeds vaker wordt toegepast als hoofdverwarming. Dat mag dus wel een groot probleem genoemd worden.

Houtrook die qua geur als bijzonder onaangenaam wordt ervaren kan een indicator zijn voor een slechte verbranding en voor de aanwezigheid van vele andere schadelijke verbindingen in de houtrook. Dit hoeft echter niet altijd samen te gaan: ook houtsoorten van tropische herkomst kunnen bijvoorbeeld een zeer sterke rooklucht opleveren.

Bureau Blauw becijferde dat bij een ‘goede’ verbranding de geur van één houtkachel tot maximaal 700 meter in de omtrek te ruiken valt. Bij een niet-optimale verbranding door verkeerd stookgedrag neemt dit zelfs toe tot 1200 meter. De geurhinder van een cluster van vijf houtkachels kan bij slecht stookgedrag 3 kilometer ver reiken!

Geurbelasting

Onder geurbelasting verstaan we de hoeveelheid geur, waaraan een ‘geurgevoelig object’ – bijvoorbeeld een woning – wordt blootgesteld. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend en wordt uitgedrukt in odour units (OU of geureenheden) per kubieke meter lucht.

Houtstokers hebben de keus uit verschillende houtsoorten en die hebben een verschillend geurprofiel: goed gedroogd beukenhout stoot (aan de bron!) per MJ opgewekte energie 536 OU/m3 lucht uit, tegen vurenhout wel 5217 OU/m3 lucht. De gemiddelde geuruitstoot van verschillende houtsoorten en briketten samen ligt op ongeveer 2430 OU/m3 lucht. De gemiddelde calorische waarde van droog hout ligt per kilogram op 18-20 MJ.

Wat dit betekent voor de geurbelasting van buurwoningen is moeilijk te becijferen en hangt mede af van de hoogte van de schoorsteen, de concentratie, de verspreiding, de weersomstandigheden, de afstand etc. Wanneer we echter weten dat de geurbelasting door veehouderijen aan de gevel van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (woningen) niet meer mag zijn dan 2 tot 3 OU/m3 lucht, dan geeft dat te denken.

Meetmethode

Op het Landelijk Geurcongres 2018 van de Vereniging van Milieuprofessionals (VVM) werden door Bureau Blauw voorstellen gedaan met betrekking tot een toetskader en een meetmethode om te komen tot een aanvaardbaar geurhinderniveau voor houtstook. Dit moet in de toekomst verder ontwikkeld worden. Daarbij gaat het niet alleen om de geur buiten de woning. Stank dringt natuurlijk ook binnen door en blijft daar hangen. Daarom kan een korte piekbelasting buiten tot langduriger overlast binnenshuis leiden.

De uiteindelijke ondervonden overlast hangt mede af van de blootstellingsduur, de blootstellingsfrequentie en de mate van (on)aangenaamheid van de geur (de zogenaamde hedonische waarde). Houtrook heeft daarbij het nadeel dat het door sommige mensen ‘lekker’ wordt gevonden. Dit heeft te maken met de associaties van ‘gezelligheid’ die zij bij het ruiken ervan ervaren en de onbekendheid met de risico’s. Vooral wanneer hout een wat zoetige geur verspreidt, wordt dat positief gewaardeerd. Die geur komt echter van één van de gevaarlijkste bestanddelen, namelijk benzeen. Houtrook bevat ook geurcomponenten die niet schadelijk zijn, maar wel hinder kunnen opleveren.

De hedonische waarde van een geur wordt uitgedrukt in een cijfer op een schaal van -4 tot +4, waarvan alleen het middelste cijfer en de uitersten (dus 0, -4 en +4) zijn gedefinieerd als resp. zeer onaangenaam, neutraal en zeer aangenaam. De (on)aangenaamheid van geuren hangt echter samen met de geurconcentratie, uitgedrukt in odour units per kubieke meter. Bij metingen volgens norm NVN 2818 van het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) wordt de geurconcentratie daarom tegen de hedonische waarde uitgezet.

Hieronder zien we de landelijke doelstelling voor geur in zijn algemeenheid: de hedonische waarde van 0 tot -1 mag in 98% van de tijd niet worden overschreden (percentielwaarde). Bovendien geldt dat er hoogstens 12% gehinderden mogen zijn en niet meer dan 3% ernstig gehinderden.

De GGD-richtlijn voor geurhinder noemt situaties waarin minder dan 5% van de bevolking geurhinder ondervindt ‘goed’:

De hindersystematiek is momenteel alleen uitgewerkt voor landbouw, veehouderijen en industrie. Die sectoren zijn niet zonder meer met elkaar te vergelijken: veehouderijen liggen meestal verspreid in het landelijk gebied, industriële bedrijven niet. Het gaat bovendien om modelberekeningen. Bij geurconcentraties waarbij de hedonische waarde -0,5 of -1 is vindt er over het algemeen bij plannen voor woningbouw een afweging plaats.

Voor deze sectoren geldt dat zij zich meestal op zekere afstand van woningen bevinden. Dat geldt voor houtstook niet: dat vindt midden in dichtbevolkte wijken plaats en vormt dus een uitdaging op zich. Ook het Platform Houtrook en Gezondheid, dat ijvert voor het voorkomen/verminderen van houtrookoverlast in woonwijken, is voorstander van het stellen van eisen aan de maximale geurconcentratie.

Hoog tijd dus dat er een toetskader wordt ontwikkeld voor het geurhinderniveau van houtstook. Want los van alle nadelige gezondheidseffecten die houtstook zonder meer heeft, is alleen al de (vermijdbare!) stankoverlast in woonwijken onacceptabel.

Over de schrijver