Fijnstof: Norm gehaald, probleem niet opgelost!

Fijnstof: Norm gehaald, probleem niet opgelost!
1 november 2022 Redactie

BETER ONDERSCHEID LEIDT TOT MEER GEZONDHEIDSWINST

Volgens dit TNO-rapport is de massa (gewicht) van het totale fijnstof niet representatief genoeg voor de gezondheidsschade. Niet alle deeltjes in het fijnstof zijn even schadelijk. De gezondheidsschade is meer gerelateerd aan het aantal deeltjes van het ultrafijnstof en aan de reactiviteit ervan, met name bepaald door de aanwezigheid van metalen en organische polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s).

Het Schone Lucht Akkoord zou meer gezondheidswinst kunnen bereiken door het gebruik van nieuwe meetmethoden en effectievere maatregelen, specifiek tegen de lokale bronnen van ultrafijnstof, metalen en PAK’s.

Dat is nodig omdat de energietransitie geen oplossing biedt voor de schadelijkheid van houtstook, landbouwemissies en slijtage emissies uit het wegverkeer. Het fijnstof, weliswaar binnen de EU-normen, is sinds 2015 niet verder afgenomen terwijl dat wel nodig is om te voldoen aan de opnieuw aangescherpte normen van de WHO.

Fijnstof zorgt voor veel leed, verloren gezonde levensjaren en 9.000 vroegtijdige sterfgevallen per jaar. Fijnstof is voor 80-85% verantwoordelijk voor de gemaakte kosten door luchtvervuiling in Nederland: 0,5 miljard aan directe gezondheidszorgkosten en 10-15 miljard aan economische en sociale kosten door verlies aan welvaart en welzijn.

Het rapport noemt enkele gevolgen van langdurige blootstelling aan fijnstof zoals hart- en vaatziekten, chronische bronchitis, verminderde longfunctie en vroeggeboorte.

Hoe het fijnstof gezondheidsschade veroorzaakt, is nog niet goed bekend. Wel is duidelijk dat het een te veel aan oxidatieve stress, celbeschadiging en celdood geeft, met weefselschade en ontstekingsreacties (opruimacties) tot gevolg. Radicale zuurstof moleculen (radical oxygen species, ROS) zijn verantwoordelijk voor deze schade. Daarnaast veroorzaken PAK’s – vanwege hun vorm – bij celdelingen verstoringen van de juiste DNA-volgorde, zodat ze ook kankerverwekkend zijn.

Met name het allerfijnste ultrafijnstof veroorzaakt deze gezondheidsschade, via 3 routes:

  • Oxidatieve schade aan de longblaasjes met ontstekingsreacties die in het bloed komen met ook elders disfunctionerende bloedvaten en verstoorde (toegenomen) stolling tot gevolg.
  • Reacties met de receptoren van het autonome zenuwstelsel (in de longblaasjes) met als gevolg directe bloeddrukstijgingen en hartritmeveranderingen.
  • Opname via de longblaasjes in het bloed zodat de oxidatieve schade ook in andere organen kan plaatsvinden. Opname via de reukzenuw in de hersenen is ook mogelijk.

TNO wijst op 2 redenen waarom ultrafijnstof een belangrijke rol speelt:

Het ultrafijnstof (PM < 0,1 micrometer) dringt niet alleen het diepst door in de longen (in de longblaasjes) maar wordt ook voor 100% opgenomen. Het fijne fijnstof (PM < 2,5 micrometer) wordt slechts voor 20% opgenomen. Het grove fijnstof (PM < 10 micrometer) wordt al in de neus en keel afgevangen.

Door hun lage massa, wegen één miljoen deeltjes ultrafijnstof even veel als één deeltje PM=10. Het oppervlak van deze miljoen ultrafijnstof deeltjes is wel 100x groter zodat meer radicale moleculen hun schadelijke werking kunnen uitoefenen.

Naast de grootte van de fijnstof deeltjes, zijn dus ook de chemische eigenschappen en de reactiviteit bepalend of ze cellen en weefsels schade kunnen berokkenen.

Volgens TNO zijn er 2 boosdoeners:

  1. METALEN zijn een punt van zorg vanwege de verhoogde reactiviteit. Volgens TNO blijkt uit de literatuur dat metalen ook kunnen voorkomen in het ultrafijnstof. Ze vermelden niet dat onderzoek uit de referentielijst (38) uitwees dat metalen voornamelijk in de PM10-2,5 fractie zitten en daardoor minder impact op de longen hebben. Belangrijke bronnen van metalen in fijnstof zijn de slijtage-emissies uit het wegverkeer en de industriële emissies uit de metaalindustrie.
  2. ORGANISCHE COMPONENTEN met als enig gegeven voorbeeld de polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s). PAK’s zouden met name vrijkomen bij onvolledige verbranding. TNO vermeldt hier niet dat er ook literatuur is die aantoont dat moderne EcoDesign houtkachels juist meer benzo(a)pyreen uitstoten, de meest schadelijke PAK. Ook niet vermeld is, dat veel metingen van moderne kachels slechts kleine afnamen tonen van de grote hoeveelheden PAK’s in houtrook.

Verder noemt TNO dat PAK’s voornamelijk kankerverwekkend zijn. Het Europees onderzoek uit de referentielijst (38) stelt juist vast dat PAK-mengsels uit houtrook de belangrijkste bron zijn van het oxidatieve potentieel in het Europese fijnstof.Vervolgens noemt TNO als bronnen van PAK’s: dieseluitlaatgassen, sigarettenrook en als laatste houtstook. Ook dit strookt niet met de bevinding van de Emissieregistratie dat houtstook grotendeels (70%) verantwoordelijk is voor de uitstoot van PAK’s.

TNO stelt voor om de reactiviteit van het fijnstof te meten met de DTT-test (dithiothreitol). Deze test meet de mate waarin het fijnstof ROS kan genereren: het oxidatief potentieel (OP).

TNO toont een Europees DTT-onderzoek uit 2011 waarin het OP i.t.t. PM10 van het fijnstof vooral in drukke urbane gebieden is geconcentreerd. Ook vermeld TNO dat PM10 hotspots vaak niet overeenkomen met UFP-hotspots en dat UFP-hotspots sterk variëren in plaats, tijd, samenstelling en reactiviteit (afhankelijk van bronnen). TNO stelt voor om een nieuw fijnstofbeleid en meetinfrastructuur op te bouwen voor de bepaling van ultrafijnstof, de chemische samenstelling en/of reactiviteit (oxidatief potentieel):

  • Fijnstofsamenstelling bepalen in gebieden bij bronnen van ultrafijnstof, metalen en (secundaire) organische componenten door kennisinstellingen. Dit ook ter herkenning van de bronbijdrage bij andere fijnstofmengsels (fingerprinting). Helaas wordt houtstook niet genoemd bij de bronnen waar ultrafijnstof moet worden gemeten.
  • Monitoringstrategie inrichten: met welke meetapparatuur, sensornetwerken, standaarden en locaties gaan gemeenten en provincies op ultrafijnstof en reactiviteit meten (dataset).
  • Verspreidingsmodellen brengen fijnstof qua ruimte en tijd in kaart (hotspots aanpakken).
  • Te ontwikkelen Gezondheidsindicator bepaalt maatregelen voor gezondheidswinst.
  • Lokaal fijnstofbeleid (en handhaving) samen met GGD en (industriële) stakeholders.

Conclusie:

Het is positief dat TNO meer waarde hecht aan (metingen van) ultrafijnstof en (de reactiviteit van) metalen en PAK’s. Toch is er weinig aandacht voor houtstook in het rapport, te zien aan de gekozen voorbeelden (in Rijnmond zorgt houtstook voor slechts 1% van het UFP?), houtstook wordt niet genoemd als UFP-bron om te gaan meten. Ook worden referenties, die de grote schadelijkheid van houtstook vaststellen, niet in de tekst genoemd. Het lijkt alsof houtstook bewust gemeden wordt in officiële rapporten terwijl TNO op haar site heel duidelijk is: Huishoudens (vooral door houtstook), industrie en landbouw leveren de grootste bijdrage aan de fijnstofemissie in Nederland.