Tag

duurzaam

Gelderse NMF adviseert gemeentes: “Verbied houtverbranding”

“Houtige biomassa moet als grondstof worden ingezet, niet als brandstof voor energieopwekking”, zo stelt de Gelderse Natuur en Milieu Federatie (GNMF).

In een beleidsdocument met aanbevelingen voor het gemeentelijk Uitvoeringsprogramma Klimaat en Energie en de Regionale Energiestrategieën (RES) adviseert de GNMF gemeentes onder meer om haardhout te ontmoedigen:

“Veel hout wordt gebruikt in open haarden en houtkachels. Dit gaat meestal om stamhout. Daarvan is de CO2-uitstoot relatief hoog, ook doordat de verbranding energieonzuinig is.

Daarnaast leveren houtkachels bij particulieren ook milieuproblemen (roet- en stofuitstoot) en rook overlast op. Ook als goed gedroogd hout of pellets worden gebruikt en ook bij de beste kwaliteit kachels. De schoorsteen vormt ook vaak een warmtelek in de woning.”

De GNMF concludeert:

“Ontmoedig daarom het gebruik van open haarden en pelletkachels, zeker in de gebouwde omgeving. Geef goede voorlichting, ook over vuurkorven. U kunt ook een stap verder gaan door houtverbranding te verbieden. Ontmoedigen is meestal niet voldoende.

Een kritische blik op het ‘Kennisdocument Houtstook in Nederland’

In september 2018 verscheen het rapport ‘Kennisdocument Houtstook in Nederland’ (pdf).

Dit rapport werd in opdracht van RVO Nederland geschreven door Jaap Koppejan van chemisch ingenieursbureau Procede Biomass BV uit Enschede en Frans de Bree van Buro Blauw BV uit Wageningen, een ingenieursbureau gespecialiseerd in luchtkwaliteit.

Dit rapport beoogt een feitelijk overzicht te geven van de warmteopwekking in de gebouwde omgeving met behulp van biomassa, zowel bedrijfsmatig als bij particulieren. Op die manier wil het bijdragen aan een genuanceerde maatschappelijke discussie.

Hieronder doen wij een poging om na te gaan of dat gelukt is. Laten we met de positieve aspecten beginnen. De schrijvers erkennen:

  • dat de Gezondheidsraad adviseert dat alle houtstook ontmoedigd moet worden
  • dat houtstook als vervuilende bron prominenter wordt naarmate de verontreiniging door het verkeer en de industrie afnemen
  • dat door de uitstoot van houtrook secundaire aerosolen worden gevormd en dat dit buiten de emissiestatistieken valt
  • dat in woonwijken cumulatie optreedt door meerdere kachels en en dat dit door hoge concentraties van fijnstof kan leiden tot een onvoldoende woon- en leefklimaat
  • dat een moderne houtkachel vaker gebruikt zal worden dan een open haard
  • dat verdere reductie van fijnstof door houtstook noodzakelijk is
  • dat de uitstoot van houtkachels in de dagelijkse praktijk meestal hoger uitvalt dan tijdens laboratoriumtesten
  • dat houtkachels binnen een uur meerdere keren sterk verhoogde concentraties roet in de omgeving kunnen veroorzaken

Dat is winst. Maar er kleven helaas ook veel negatieve aspecten aan dit document, dat hoofdzakelijk de promotie van een nieuwe generatie houtkachels tot doel lijkt te hebben.

Eén van de auteurs, Jaap Koppejan, is al 20 jaar werkzaam in de biomassa-industrie en daarmee niet echt een onafhankelijke partij. Hij is managing director van Procede Biomass BV en heeft daarnaast o.a. een bedrijf in woodchip boilers. Bij Bio Forte Nederland houdt hij zich bezig met het technisch ontwerp van biomassacentrales.

Overigens heeft de Belastingdienst december vorig jaar beslag gelegd op bezittingen en administratie van Procede, omdat het bedrijf een belastingschuld van een miljoen euro had opgebouwd. Onderzoek van de FIOD wees uit dat er geschoven was met BV’s en gesjoemeld met omzetbelasting.

Statusoverzicht Houtkachels

Om even te weten waar de schrijvers staan eerst wat geschiedenis. In 2010 vervaardigde Jaap Koppejan in opdracht van AgentschapNL (nu: RVO) het rapport ‘Statusoverzicht Houtkachels in Nederland’, een document dat qua opzet lijkt op het nu verschenen rapport.

De kijk op biomassaverbranding in dit statusoverzicht is uitermate eenzijdig en de duurzaamheid van houtstoken wordt op geen enkel moment gerelativeerd. Het document lijkt voornamelijk de verkoop van moderne houtkachels te willen bevorderen en elk argument wordt daaraan ondergeschikt gemaakt.

Houtverbranding wordt louter gezien als ‘vermeden fossiele energie’. Oudere kachels en open haarden zouden 95% van de schadelijke uitstoot veroorzaken en daarom zo snel mogelijk vervangen moeten worden door betere houtkachels.

Overlast (en daardoor het gevaar van een slecht imago van de kachelbranche!) is het gevolg van verkeerd stookgedrag en/of een onprofessionele installatie, aldus het rapport. De milieueffecten van hout stoken moeten zo goed mogelijk worden beperkt door: optimaal stoken, deskundige installatie, nageschakelde filters, trainingen, mediacampagnes en ga zo maar door. Dan zal de uitstoot schoner worden en voornamelijk bestaan

uit de aanwezige anorganische componenten in de biomassa (zouten), waarvan de toxiciteit niet significant is.

Omdat een goede houtkachel over het algemeen vaker wordt gebruikt dan bijvoorbeeld een open haard, zal dat leiden tot ‘een toenemende duurzame energieopwekking’. De invloed van houtkachels op de totale fijnstofconcentraties is volgens Koppejan verwaarloosbaar klein ten opzichte van de invloed van het verkeer.

Voorts wordt gepleit voor certificering van installateurs en dealers (samen met brancheorganisatie Sfeerverwarmingsgilde), ‘gemeentelijke stookexperts’ die bij problemen ingeschakeld kunnen worden, erkende beëdigde schoorsteenvegers, en een programma voor versnelde vervanging van oude houtkachels, liefst met overheidssubsidie.

Tot zover de studie uit 2010, die aanstuurt op het creëren van een vervangingsmarkt voor open haarden en verouderde houtkachels en voorbijgaat aan de gevaren voor volksgezondheid en milieu.

Dezelfde boodschap

Het onlangs verschenen nieuwe rapport ‘Kennisdocument Houtstook in Nederland’ draagt acht jaar later exact dezelfde boodschap uit. Opnieuw wordt de schijn opgehouden dat hier een uitgewogen verhandeling over houtstook wordt gepresenteerd.

Bij de totstandkoming van dit onderzoek zou een ‘klankbordgroep met brede maatschappelijke vertegenwoordiging’ zijn betrokken. In persberichten is sprake van ‘een brede commissie met (naast industrie en overheid) vertegenwoordigers van milieuorganisaties, GGD’s en het Longfonds, die deze studie hebben begeleid’. Dat zou het tot een objectief geheel maken.

De oplettende lezer ziet echter onder ‘Begeleidingscommissie’ in Appendix 1 alleen vermeld: Milieu Centraal (uitdrager van de overheidscampagne voor pelletkachels en biomassaketels) en Milieudefensie (die als enige wél kritisch is).

Het Longfonds – een notoir tegenstander van houtstook – en de Omgevingsdienst hebben alleen d.m.v. ‘mondelinge conversatie’ bijgedragen. Wat die conversatie inhield blijft onduidelijk. De slogan waarmee het Longfonds actievoert is daarentegen duidelijk genoeg: Verwarm je huis bewust en niet met hout!

De Omgevingsdienst Zuid-Holland heeft aangegeven dat door het afnemen van het maatschappelijk draagvlak voor houtstook in de energietransitie een informatief kennisdocument over biomassa grote meerwaarde heeft. Vrij vertaald: er is behoefte aan een kennisdocument dat het slechte imago van houtstook kan opvijzelen.

Wat betreft de GGD’s wordt het kritische onderzoek van de noordelijke GGD’s genoemd (Greven, F., Reen, W., Hoek, G., Hagedoorn, N., Katoele, M., Vink, N., Duijm, F., Overlast door houtrook; onderzoek naar het meten van fijnstof als hulpmiddel bij het beoordelen van klachten over houtstook, GGD Groningen ism GGD Drenthe en GGD Fyslân, 2015), maar we lezen niets over het GGD/GHOR-standpunt, dat inhoudt dat vanwege de samenstelling van houtrook blootstelling in de directe woonomgeving zo veel mogelijk moet worden beperkt.

De Amsterdamse GGD meent zelfs dat houtrook zo ongezond is dat het stoken van hout geheel vermeden moet worden omdat het veel meer vervuiling verspreidt dan andere soorten verwarming.

Inzet: promotie

Dit nieuwe rapport legt veel meer nadruk op uitstoot en overlast, daartoe gedwongen door talloze recente onderzoeken en de publieke opinie. Maar de inzet blijft het promoten van ‘het nieuwe stoken’ in betere hout- en pelletkachels.

Opnieuw dus geen eerlijke vergelijking tussen houtkachels en schonere bronnen, maar alleen tussen vieze verouderde houtkachels en ‘schone’ moderne, die zogenaamd alleen ‘niet-toxische zouten’ uitstoten. Het zijn dezelfde mantra’s die de kachelbranche in het Platform Houtrook en Gezondheid (dat de overlast van houtstoken wil voorkomen/verminderen) naar voren brengt.

We nemen een aantal passages onder de loep.

Met ca. 23% van het huidige eindverbruik draagt verbranding van biomassa voor warmteopwekking in belangrijke mate bij aan de doelstellingen voor opwekking van hernieuwbare energie in Nederland.

Let wel, slechts 6,6% van het totale energieverbruik in Nederland komt uit ‘hernieuwbare bronnen’, het gaat dus om 23% van die 6,6%, om 1,52% dus. Dat is bedrijfsmatige en particuliere biomassaverbranding samen. In 2017 droeg particuliere houtstook voor ongeveer 0,93% bij aan ‘hernieuwbare energie’ (voor zover vermijdbare bij- en sfeerverwarming duurzaam kan zijn).

In het Energieakkoord voor duurzame groei is afgesproken dat in 2020 14% van de energie hernieuwbaar moet zijn en in 2023 16%. Het zal nog een hele dobber worden om dat te halen. Vandaar dat onze overheid élke ‘bijdrage’ verwelkomt, hoe klein ook, en zelfs al is de tol daarvan vervuiling van woonwijken en bedreiging van volksgezondheid en milieu.

Overlast

Volgens de auteurs van dit rapport kan

houtstook alleen tot overlast leiden indien er gebruik wordt gemaakt van slecht functionerende of bedreven kachels of ketels welke niet goed zijn geplaatst.

Dioxines en PAK’s zouden vooral worden uitgestoten door open haarden en verouderde kachels. Vooral open haarden (de grote vervangingsmarkt) worden aangewezen als de boosdoeners. Goede moderne kachels presteren veel beter, dus de kwaliteitseisen aan kachels moeten omhoog.

Dat beantwoordt niet de vraag wat er gebeurt met de luchtkwaliteit als vijf ‘kwaliteitskachels’ in één straat tegelijk (en langduriger!) stoken. Een groot deel van de overlast wordt door de schrijvers toegeschreven aan verbranding van biomassa buitenshuis: vuurkorven, tuinhaarden, barbecues, open vuren, paasvuren, vuurschalen, en pizzaovens, die ‘geen emissie-eisen hebben’.

Élk argument is welkom, zolang het de eigen (vervuilende) branche maar uit de wind houdt. Overigens is het stoken van open vuur vanwege de emissies alleen toegestaan met een gemeentelijke ontheffing, in alle andere gevallen is het gewoon verboden. En er zijn ook (APV)regels voor overlast van vuurkorven etc., ook al worden die momenteel onvoldoende gehandhaafd.

Maar de bottomline is: dit ongecontroleerde gestook leidt tot IMAGOSCHADE voor onze kachelbranche, en dat moeten we niet hebben!

Stookkosten

De samenstellers van dit kennisdocument merken op dat verlaging van stookkosten voor houtstokers in Nederland geen doorslaggevend argument zou zijn. Tweederde van de houtstokers krijgt hun hout echter voor niets of bijna niets uit het informele circuit. Daar kan redelijkerwijs geen alternatief tegenop.

Bij de cijfers van TNO en het CBS over de aantallen houtgestookte toestellen in Nederland zetten de auteurs hun vraagtekens. Onlangs heeft de Stichting Nederlandse Haarden- en Kachelbranche (NHK) namelijk zélf opdracht gegeven tot ‘onafhankelijk statistisch onderzoek’. Daaruit zou blijken dat het totale aantal toestellen is afgenomen naar 841.000!

Ook het houtverbruik per toestel, behalve (voorspelbaar) dat van open haarden, zou aanzienlijk lager zijn dan het CBS aanneemt, in totaal slechts 11 PJ (i.p.v. 19 PJ volgens het CBS) en de emissies zouden dus ook navenant lager zijn.

Blijkbaar is het bedoelde onderzoek nr. 36 in de lijst van referenties: Hamstra, G., Onderzoek Gebruiksintensiteit Kachels en Haarden, presentatie concept resultaten, onderzoek iov NHK, Right Marktonderzoek en Advies BV, 7 juni 2018. 

Dit onderzoek is helaas nergens te vinden, maar er wordt wel herhááldelijk naar verwezen. Dergelijke onverifieerbare ‘feiten’ horen in een onderzoek dat pretendeert objectief te zijn niet thuis en ze zijn bovendien ongeloofwaardig.

Emissiecijfers

In de tekst wordt ook beweerd dat de emissiecijfers van TNO niet zouden kloppen, en dat die veel hoger zouden zijn dan van bv. EMEP/EEA (Air pollutant emission inventory guidebook van de European Environment Agency), maar dat klopt in elk geval met betrekking tot een paar zeer gevaarlijke stoffen níet:

uitstoot open haard TNO EMEP/EEA
PM10 (g/GJ) 161 550
benzo(a)pyreen* (mg/GJ) 65 121
indenopyreen** (mg/GJ) 32 71
* kankerverwekkend
* waarschijnlijk kankerverwekkend

Vanzelfsprekend pleiten de schrijvers voortdurend voor hogere eisen aan uitstoot, toestel, installatie, capaciteit, brandstof en wijze van stoken. Het hele proces moet volgens hen gereguleerd worden.

Alleen omdat het allemaal zo nauw luistert, en geen enkele stoker zich daaraan wil of kan houden zou het al verboden moeten worden. Als voor het bezweren van de gevaren van een gasapparaat zoveel stooklessen, adviezen, voorzorgsmaatregelen etc. nodig zouden zijn als voor een houtkachel, waren ze allang verbannen.

De open haard is volgens dit kennisdocument geen ‘toestel’ en hier zouden geen produkteisen voor zijn. Dit is niet correct, want in de Ecodesignrichtlijn valt het volgende te lezen:

“Onder toestellen voor lokale ruimteverwarming die vaste brandstoffen gebruiken en die vanaf 1 januari 2022 moeten voldoen aan de Ecodesignrichtlijn, valt ook:

  • een toestel voor lokale ruimteverwarming met open voorkant dat vaste brandstoffen gebruikt, waarvan het verbrandingsbed en de verbrandingsgassen niet zijn afgesloten van de ruimte waarin het product is geplaatst en dat verbonden is met een opening voor een schoorsteen of open haard of dat een afvoerkanaal nodig heeft voor de afvoer van de verbrandingsproducten.
  • de seizoensgebonden energie-efficiëntie voor ruimteverwarming van toestellen voor lokale ruimteverwarming met open voorkant die vaste brandstoffen gebruiken, bedraagt minimaal 30% (!).”

Rookgasreiniging

Herhaaldelijk wordt aangegeven dat

de uitstoot van schadelijke rookgascomponenten effectief kan worden beperkt door optimalisering van het verbrandingsproces. Vervolgens zijn vaste of condenseerbare stoffen grotendeels af te vangen via nageschakelde rookgasreiniging zoals elektrostatische filters, doekfilters of katalysatoren.

Uit een zeer recent onderzoek van ECN (Mogelijkheden voor emissiereductie bij houtkachels, 2017) bleek dat dit niet echt haalbaar is.

ECN zag de volgende struikelblokken:

  • filters zijn duur,
  • ze moeten door een erkend installateur worden aangelegd,
  • ze behoeven deskundig periodiek onderhoud,
  • ze vervuilen en desintegreren snel,
  • zijn nog niet uitontwikkeld,
  • hebben een onbekende levensduur,
  • kunnen (afhankelijk van type) óf fijnstof óf stank niet tegenhouden,
  • geven een extra legitimering voor stoken,
  • zijn gevoelig voor slijtage en storing,
  • kunnen vaak niet achteraf worden gemonteerd en vragen stroom,
  • zouden PAK’s reduceren, maar bv. dioxines juist doorlaten,
  • hebben maar een beperkt effect op de emissies,
  • doen het financiële voordeel van goedkoop houtstoken teniet en
  • last but not least, de aanschaf ervan kan niet afgedwongen worden.

Het ziet ernaar uit dat hier de oplossing niet gezocht moet worden.

Bagatelliseren gezondheidseffecten

Dat dit kennisdocument de impact van houtstook graag wil bagatelliseren, blijkt uit de volgende twee citaten:

Fijnstof uit biomassaverbranding kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten, al is dit beeld niet geheel consistent.

en

Bij een aantal epidemiologische studies is een relatie gevonden tussen fijnstof uit biomassaverbranding en negatieve gezondheidseffecten, echter het is hierbij lastig om specifieke causale relaties te identificeren en houtrook te verbinden aan bepaalde specifieke gezondheidseffecten.

Hierbij wordt ter rechtvaardiging o.a. aangehaald nr. 28 uit de referentielijst: Fong, K.; Nussbaumer, T.: Health Effects of Aerosols from Wood Combustion – A Review, 16th ETH-Conference on Combustion Generated Nanoparticles, ETH Zürich, 24.–27. June 2012. 

Dit onderzoek opent echter als volgt:

Smoke from biomass combustion is identified as an important cause of premature deaths being more important than malaria and tuberculosis.

De eindconclusie is:

There is a relevant number of in vitro and in vivo investigations on wood PM. The majority of the tests reveal adverse health effects which are statistically significant for: Cytotoxicity, Oxidative stress, Inflammation, Physiological responses and Genotoxicity and carcinogeneity.

Een ander artikel uit de referentielijst, nr. 105: WHO, Residential heating with wood and coal: health impacts and policy options in Europe and North America, 2015 laat zien dat er ‘honderden studies zijn die een link leggen met gezondheidsproblemen, ziekenhuisopnames en sterftetoename’.

Over de fijnstofuitstoot die gepaard gaat met houtverbranding lezen we dat

vooral de ultrafijne deeltjes (PM1) onvoldoende worden gefilterd door neus en luchtpijp en in de longen kunnen terechtkomen en daar schadelijke effecten veroorzaken.

Dit soort ultrafijne deeltjes kan echter zelfs in de bloedbaan en de hersenen terechtkomen! En wie ervoor kiest een instantie als de WHO te citeren hoort niet alleen een toename van astma en COPD, bronchiolitis, middenoorontsteking en hart- en vaatziekten te noemen, maar óók longkanker, dementie en effecten op het ongeboren kind.

Roet

Over de roetuitstoot die gepaard gaat met houtverbranding lezen we:

In stedelijk gebied bedroeg de achtergrondconcentratie aan BC [black carbon] buiten het stookseizoen 0,6 µg/m3, oplopend naar gemiddeld 1,0 µg/m3 in het stookseizoen met uitschieters naar 20,4 µg/m3.

Dit wordt dus geconcludeerd op basis van meetpunten van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit die zich nooit midden in woonwijken (met houtkachels) bevinden en daarom dus niet representatief zijn voor houtstook. Van de 25 meetpunten in stedelijk gebied meten er bovendien 17 helemaal geen roet! Beter onderzoek in woonwijken is er schandelijk genoeg niet.

Roet wordt voorts vooral gezien als ‘climate force’. Ook dat is maar de halve waarheid, omdat roet één van de gevaarlijkste componenten van fijnstof is, die in verband wordt gebracht met chronische luchtwegaandoeningen, een verhoogd kankerrisico en vervroegde sterfte.

Over het onderzoek naar houtrookoverlast in Amersfoort (AmersfoortPanel, 2017) wordt opgemerkt:

Een belangrijk deel van de klachten in laatstgenoemde onderzoeken komt overigens van open vuur buitenshuis (vuurkorven) in plaats van kachels en haarden.

Er staat letterlijk in deze enquête:

28% van de panelleden ervaart wel eens hinder van een houtkachel of houtgestookte open haard in hun woonomgeving. [..] Van de panelleden ervaart 29% wel eens hinder van een barbecue of vuurkorf.

De hinder is van houtkachels is met 28% dus een serieuze overlastfactor, die niet kan worden afgedaan door naar andere overlastbronnen te wijzen, hoe hinderlijk die ook mogen zijn.

Fijnstof

Uit artikel nr. 103 van de referentielijst: Vincente, E.D., Alves, C.A., An overview of particulate emissions from residential biomass combustion, Atmospheric Research 199, 159–185, 2018, wordt geciteerd:

Uit de tabel blijkt opnieuw dat het door houtstook geëmitteerde fijnstof vrijwel volledig uit PM2.5 bestaat.

Een correct citaat uit dit wetenschappelijke artikel zou zijn:

However, several studies have reported that residential biomass combustion typically generates emissions dominated by particles with a mass mean diameter between 0.1 and 1 μm.

De uitstoot van fijnstof (en ultrafijnstof) wordt door de auteurs stelselmatig weggewuifd:

Wanneer de uitkomst van deze berekeningen [bedoeld is bepaalde modelberekeningen] wordt vergeleken met de gemiddelde stedelijke achtergrondconcentraties volgt dat de bijdrage van particuliere toestellen aan de jaargemiddelde fijnstofconcentraties in alle gevallen relatief klein is. Dit kan grotendeels worden verklaard door de geringe stookduur van met name open haarden en conventionele kachels.

en

De impact op langdurig gemiddelde lokale omgevingsconcentraties van alle toepassingen is meestal verwaarloosbaar, maar vuurkorven, open haarden en oudere houtkachels kunnen wel kortstondige hinder in de directe omgeving veroorzaken.

In datzelfde artikel nr. 103, hierboven reeds aangehaald, staan uitgebreide tabellen met de hoge bijdrages van residential burning aan PM en andere stoffen in de lucht, die deze conclusie niet ondersteunen.

Het is waar dat houtstoken piekuren kent en dat die door gemiddeldes onterecht worden gladgestreken. Ondertussen zit een burger tijdens die piekuren – die steeds langer duren – in onaanvaardbaar hoge concentraties.

Overigens is dit artikel één van de meest verontrustende artikelen m.b.t. de gevaren van residential burning. Het is hier terug te vinden. Twee opvallende passages uit dit onderzoek:

The highest BaP [benzo(a)pyreen] emissions are noticeable for modern appliances, characterised by higher burning rates. Thus, although a ‘new’ combustion technology contributes to the reduction of the overall PM [fijnstof] emissions compared with ‘old’ burning appliances, higher combustion temperatures in modern logwood stoves may lead to higher PAH [PAK] emissions.

en

Residential biomass combustion can have a substantial contribution to the PM car-bonaceous levels. In Finland (Helsinki), the contribution of biomass burning to the PM1 OC content (Organic Carbon) was estimated to be 41% during winter. In Switzerland (Zurich), the contribution of this source to OC in PM10 was approximately 41% in winter. In Spain (Barcelona), 60% of OC in PM1 was reported.

Stookalert

De kachelbranche laat zich er graag op voorstaan dat zij een eigen ‘stookalert’ heeft, dat (sporadisch) waarschuwt als houtstoken ongewenst is:

Door ongunstige weerscondities (temperatuurinversie, windstilte, etc.) kan de fijnstofbelasting per uur aanzienlijk hoger zijn dan de jaargemiddelde concentratie.

Maar ook bij ‘gunstige’ weersomstandigheden kan er door luchtverontreiniging sprake zijn van een slechte luchtkwaliteit, wat stoken onwenselijk maakt. Dit wordt echter niet bij het stookalert betrokken en daarom mag er van de kachelbranche bijna altijd gestookt worden.

Om houtrookoverlast in kaart te brengen worden modelberekeningen losgelaten op ‘belaste woningen’. Hieruit zou blijken

dat bij de aanwezigheid van meerdere houtkachels in een cirkel rond een belaste woning er geen optelling van fijnstofconcentraties bij de woning plaatsvindt als gevolg van meerdere toestellen. Wel wordt de woning vaker belast, maar dan steeds door één toestel tegelijkertijd.

Dit lijkt een erg simplistische benadering, die het probleem van houtrookoverlast geen recht doet.

Geuroverlast

Naast de uitstoot van schadelijke stoffen is ook geuroverlast een negatief aspect van houtstook. Onderzoek wijst uit dat de kwaliteit van leven afneemt naarmate mensen meer met geurhinder worden geconfronteerd. Geur bij biomassaverbranding zou volgens dit rapport gerelateerd zijn aan onvolledige verbranding. Dat hoeft niet altijd zo te zijn: ook bepaalde (hard)houtsoorten kunnen sterk ruiken.

Bureau Blauw, medeauteur van dit rapport, becijferde in het verleden dat bij een ‘goede verbranding’ de geur van één houtkachel tot maximaal 700 meter in de omtrek te ruiken valt. Bij een niet-optimale verbranding neemt dit zelfs toe tot 1200 meter. De geurhinder van een cluster van vijf houtkachels zou zelfs 3 kilometer ver reiken!

Dat strookt niet met de bewering dat er

bij een goede verbranding voor particuliere houtgestookte toestellen er normaliter sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor geur. Bij moderne kachels en pelletketels is zelfs bij de aanwezigheid van 10 toestellen sprake van een goed woon- en leefklimaat voor geur.

De schuld van geuroverlast zijn dus wederom slechte houtkachels en open haarden.

Een onderzoek van Motivaction in opdracht van Milieu Centraal uit 2015 concludeerde dat bijna de helft van de Nederlanders aangeeft dat hout stoken voor stank zorgt. De WHO vindt dat er al sprake is van een probleem wanneer 5% van de bevolking gedurende 2% van de tijd hinder ondervindt door stank.

Ketels

De bewering

dat het Platform Houtrook en Gezondheid zich bij zijn aanbevelingen beperkt tot ‘sfeerverwarming’ en zich niet bezighoudt met de overlast van houtgestookte ketels

is onjuist. Het stoken van hout en andere vaste brandstoffen door particulieren strekt zich ook uit tot (pellet)ketels die warm water en CV bedienen en de héle dag branden. Alleen bedrijfsmatig gestookte ketels vallen hier buiten.

In maart 2018 stelde het Platform Houtrook de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat voor om de overheidssubsidie op pelletkachels te beëindigen met het oog op de weinig duurzame fijnstofemissies.

Conclusie

De literatuurlijst onderaan dit kennisdocument is indrukwekkend, maar het niet zo flatteuze oordeel dat in sommige van de genoemde bronnen over het stoken van hout geveld wordt, valt absoluut niet terug te vinden in de tekst.

Zelfs al zouden alle slecht renderende houtkachels ingeruild worden voor efficiënte modellen, dan nog is houtstook vele malen vervuilender dan verwarmen met aardgas, zonne- en windenergie, electriciteit of aardwarmte. Houtstook leent zich daarom niet voor dichtbevolkte woonwijken en zou geen rol mogen spelen in de energietransitie.

Daarbij komt ook nog de morele kwestie dat je een ander, analoog aan sigarettenrook, geen schade door houtrook mag berokkenen, iets waaraan in dit rapport wordt voorbijgegaan.

Helaas moet het eindoordeel luiden dat voor een genuanceerde bijdrage aan een maatschappelijke discussie over verwarmen op hout dit tendentieuze document niet voldoet. Het geeft slechts het standpunt van industrie en overheid weer en het is een aanfluiting dat RVO hier genoegen mee heeft genomen.

Energieneutrale woningen… met een houtkachel?

… Zelfs een middeleeuwse, zeer slecht renderende en optimaal vervuilende open haard mag momenteel gewoon opgenomen worden in een nieuwbouwwoning met allerlei technische besparende hoogstandjes….

… Het is onbegrijpelijk dat iedereen elkaar maar napraat over de duurzaamheid van biomassa….

 

logo-rijksoverheid

In 2008 sloot het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) met projectontwikkelaars, bouwondernemers en woningcorporaties het Lente-akkoord. Zij spraken af dat woningen in de toekomst energiezuiniger en duurzamer moeten zijn en moeten voldoen aan strengere eisen. Woningen moeten beter worden geïsoleerd, zuiniger worden geventileerd, en voor verwarming en warm water moeten er installaties met duurzame en efficiënte energieopwekking zijn. De energiezuinigheid van een woning wordt uitgedrukt in een cijfer, het EPC-cijfer ofwel het Energie Prestatie Coëfficiënt. Per 1 januari 2015 is de EPC-eis aan de energieprestatie van gebouwen 0,4. De EPC voor woningen wordt in stapjes verlaagd zodat vanaf 2020 nieuwe huizen bijna-energieneutraal moeten zijn.

Om het EPC-cijfer te bepalen worden aan alle aspecten van de bouw waarden toegekend, tot in de kleinste details. Bij een raam kijkt men bv. niet alleen naar het type glas, maar ook naar hoe het glas in het kozijn zit, wat voor kozijn het is en hoe het kozijn in de muur zit. Bij het dak blijft het niet bij de dikte van de plaat en de isolatie, maar ook de aansluiting op de woning speelt een rol. Al deze waarden en materialen worden ingevoerd in de EPC-berekening. Hoe lager het cijfer hoe beter het is.

De bepaling van de EPC is vastgelegd in de norm “NEN 7120, Energieprestatie van gebouwen”. Hierin wordt precies beschreven welke aspecten meewegen in het EPC en hoe zwaar ze mogen wegen.

In de komende jaren gaat Nederland dus steeds energiezuiniger, klimaatneutraler en gezonder bouwen. Onderdeel van het Lente-akkoord zijn bij voorbeeld de ‘Excellente Gebieden’, 19 innovatieve nieuwbouwprojecten die een soort proeftuin voor energiezuinig bouwen vormen om praktijkervaring op te doen. Innovatieprogramma Energiesprong is een project in opdracht van het Ministerie voor gebouwen zonder energienota. Sinds 2012 zijn bovendien door het hele land projecten gestart die zich richten op grootschalige energiebesparing in de bestaande woningbouw. Het is de bedoeling dat bij elk van die projecten 1500 à 2000 woningen energiezuinig gemaakt worden, bv. met spouwmuurisolatie, HR-ketel of zonnepanelen.

De EPC is óók een instrument van het Nederlandse klimaatbeleid. Door energiebesparing en toepassing van duurzame energie wordt immers de verbranding van fossiele brandstoffen beperkt. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de vermindering van de Nederlandse uitstoot van CO2. Het is van belang om de CO2-uitstoot te verminderen om zo klimaatverandering tegen te gaan.

Duurzaam bouwen is volgens onze overheid bouwen met respect voor mens en milieu. Daarom is het vreemd dat in nieuwe energiezuinige, klimaatneutrale en gezonde woningen een plaats is ingeruimd voor verwarming met houtgestookte installaties.

In de NEN 7120 zijn allerlei waardes opgenomen voor het rendement van bv. zonnecellen en warmtepompen, maar niet voor houtpellet/biomassa-gestookte verwarmingsinstallaties. In eerste instantie zou men dus menen dat dit niet is toegestaan. Het gebruik van houtkachels is voor ons dichtbevolkte Nederland immers geen optie. We hebben te weinig lokaal houtafval (hout dat nog ergens anders goed voor is moet je niet verbranden) om Nederland mee te verwarmen. Daarom importeren we nu houtpellets vanuit bv. Canada met bijbehorende fossiele uitstoot. Voor die pellets wordt goed hout gebruikt omdat houtpellets veel opleveren. Stoken op hout is een voorschot nemen op de CO2-uitstoot. We halen dus een milieuprobleem binnen. De schadelijke rookgassen die bij de verbranding van hout lokaal vrijkomen zijn bovendien slecht voor milieu én gezondheid.

Helaas heeft TNO in opdracht van de Nederlandse vereniging van Biomassa Ketel Leveranciers (NBKL) een zg. “gelijkwaardigheidsverklaring” opgesteld om toestellen op vaste biobrandstof tóch te kunnen waarderen in de NEN 7120 en dus toe te kunnen passen in energiezuinige nieuwbouw.

De TNO-verklaring is geldig voor elke vorm van vaste biobrandstof waaronder houtpellets, snoeisnippers, houtspanen, zaagsel, houtbriketten en stukhout.

De overheid ziet biobrandstof als hernieuwbare energie. Hout stoken betekent in de ogen van de overheid dus alleen vermeden CO2-emissie en vermeden verbruik van fossiele primaire energie. Hier worden liever geen vraagtekens bij geplaatst, want Nederland heeft haast om de doelstellingen van het Energie-akkoord te halen, d.w.z. een toename van het aandeel hernieuwbare energieopwekking naar 14 procent in 2020 en 16 procent in 2023.

Biomassa als duurzame bron van warmteopwekking moet volgens de overheid daarom ook in de NEN 7120 norm op worden genomen als een maatregel ter verduurzaming van de energiehuishouding.

Over de inzet van toestellen op biobrandstof in energiezuinige woningen lezen we in de gelijkwaardigheidsverklaring dus het volgende: “De EPC van een biobrandstoftoestel wordt bepaald door de waarde van het opwekkingsrendement en die van de energiedrager. Omdat vaste biobrandstof 100% hernieuwbaar is en geen primair energiegebruik in de zin van de norm met zich meebrengt, is de EPC-waarde van de energiedrager nul. Dit betekent dat alle energie die wordt opgewekt met vaste biobrandstof in de bepaling van de EPC niet wordt meegerekend. Zo wordt met vaste biobrandstof eenvoudig voldaan aan de EPC.”

Zelfs een middeleeuwse, zeer slecht renderende en optimaal vervuilende open haard mag momenteel dus gewoon opgenomen worden in een nieuwbouwwoning met allerlei technische besparende hoogstandjes. De enige belemmering is dat een open haard de luchttoevoer/ventilatie beïnvloedt, hetgeen kan leiden tot een verslechtering van de EPC, maar er wordt geen woord gewijd aan de verslechtering van buiten- én binnenmilieu door o.a. fijnstof.

Ook een club als Urgenda, die notabene een proces heeft aangespannen tegen de Nederlandse Staat om meer CO2-reductie af te dwingen, komt in haar voorbeelden van het energieneutraal maken van woningen telkens weer met houtkachels op de proppen. Urgenda geeft wel aan dat dit in een stedelijke omgeving geen goede optie is, maar toch: in een nieuwe ronde van “nul-op-de-meter” (maart 2016) wordt een woning ‘verbeterd’ door een houtkachel te installeren en een pas drie jaar oude (schonere) gaskachel af te danken.

… Het is onbegrijpelijk dat iedereen elkaar maar napraat over de duurzaamheid van biomassa….

De overheid zet samen met projectontwikkelaars in op verregaande maatregelen als driedubbel glas, gaswasdrogers, ledlampen en de slimste isolatie- en ventilatieconcepten, maar wat je ook leest over groenwoningen, passiefhuizen en ecologische bouwconcepten, telkens wordt de houtkachel daarbij kritiekloos opgevoerd als duurzame oplossing. CO2-uitstoot verminderen is belangrijk, een toename van stikstof, benzeen en ultrafijnstof is echter ongewenst (zie illustratie).

Agentschap NL heeft zelfs een cursus en een handleiding ontwikkeld om het energiegedrag van mensen te beïnvloeden en hen duidelijk te maken wat en hoe ze kunnen besparen. Zo wil men bewoners leren dat met routinegedrag (opladers in het stopcontact laten zitten, licht laten branden) energie wordt verspild. Ook wil men bewoners door gedragsbeïnvloeding verleiden tot investeringsgedrag, zoals het laten plaatsen van dubbel glas. Door het aanpassen van gedrag zijn namelijk besparingen tot 10% mogelijk.

Controlemetingen met infraroodtechnologie, en metingen op kierdichtheid en ventilatiecapaciteit kunnen voorts leiden tot een woning die gezonder, comfortabeler en energiezuiniger is en waarbij de CO2-uitstoot 20% lager is.

Toekomstige maatregelen gaan dus behoorlijk ver. Biomassa blijft hierin een vreemde eend in de bijt en een enorme blinde vlek. In menige woonwijk is sprake van een dramatische verslechtering van de luchtkwaliteit door de inzet van houtkachels. Controlemetingen op dít vlak ontbreken merkwaardig genoeg geheel, terwijl de gevaren van ultrafijnstof door voortschrijdend inzicht toch steeds duidelijker worden. Regelmatig wordt ook de link tussen het inademen van houtrook en meeroken gelegd. Reden genoeg dus om biomassa als duurzame energiebron ter discussie te stellen en dit niet blindelings in te zetten in toekomstige nieuwbouw.

Het overal toestaan van houtstook leidt er bovendien toe dat de ruim één miljoen mensen met luchtwegaandoeningen (en gezonde mensen die niet in ongezonde rookgassen en hun penetrante geur willen zitten) nergens houtrookvrij kunnen wonen. Het zou goed zijn wanneer althans een deel van die toekomstige gezonde energieneutrale wijken écht gezond en energieneutraal en dus vrij van houtstook zou zijn.