Tag

RIVM

Brief staatssecretaris aan Tweede Kamer over houtrook

Staatssecretaris Stientje van Veldhoven stuurde vandaag een brief aan de Tweede Kamer over ‘houtrook van particuliere kachels’.

Zij zet in de brief uiteen dat maar liefst de helft van de mensen aangeeft weleens last te hebben van houtrook en 10% van de bevolking een stookverbod wil. Ook geeft het RIVM aan dat fijnstof uit houtrook even schadelijk is als uit andere bronnen, zoals verkeer. Volgens het RIVM is het daarom raadzaam om emissies van verbranding, van welke bron dan ook, te beperken, aldus de staatssecretaris.

Daar komt natuurlijk het buitensporig grote aandeel van houtstook in de totale uitstoot van andere zeer schadelijke stoffen, zoals PAK’s, benzeen en dioxines, nog bij.

Desalniettemin is een “categorisch verbod van houtstook – zoals sommige mensen willen” wat van Veldhoven betreft “niet aan de orde”.

Samengevat werkt zij aan drie beleidslijnen: eisen aan de uitstoot van houtkachels (versnelde invoering EcoDesign richtlijn om het risico op dump van extra vervuilende kachels tegen te gaan), voorlichting (stooktips en vrijwillige stookwijzer) en een meetprotocol om ernstige overlast aan te kunnen pakken.

De praktijk is echter dat een groot deel van de mensen die zich met klachten bij ons melden, juist last hebben van recent geïnstalleerde EcoDesign kachels in hun buurt. Dat is niet zo vreemd als je bedenkt dat zo’n houtkachel alsnog evenveel fijnstof uitstoot als zes dieselvrachtwagens. Terwijl diesels tegenwoordig op vele plekken geweerd worden. Ook over gesubsidieerde pelletkachels, die op papier nog vele malen ‘schoner’ zouden zijn, ontvangen wij veel meldingen, mede omdat deze vaak intensief gebruikt worden.

Een ander belangrijk punt is dat het Platform Houtrook en Gezondheid, ingesteld door het Ministerie van I&E en waar Stichting Houtrookvrij een van de deelnemers is, expliciet vraagt om:

“Het ontmoedigen van het stoken van hout door voorlichting [aan het algemeen publiek] om de schadelijke effecten van houtrook meer bekend te maken.”

De door de staatssecretaris voorgestelde voorlichting richt zich echter uitsluitend op de stoker en lijkt daarmee regelrecht uit te draaien op legitimatie en promotie van ‘gezellige’ houtstook, met de alom bekende ‘stooktips’. Het Longfonds, dat eveneens Platformdeelnemer is en de geboden oplossingen “niet toereikend” noemt, doet eenzelfde constatering:

“De nadruk ligt nu op voorlichting om beter te stoken. Dat betekent nog steeds uitstoot van schadelijke stoffen. Wij vinden het belangrijk dat het algemeen publiek goed wordt geïnformeerd over de risico’s voor hun gezondheid en dat zij worden aangeraden om niet op hout te stoken.”

Maar misschien is dit niet eens zo verwonderlijk, gezien de zeer grote bijdrage van ‘houtkachels thuis’ aan de hernieuwbare energie in Nederland. Onze overheid heeft dus tegengestelde belangen met enerzijds de klimaatdoelen en anderzijds luchtkwaliteit, nog even los van de actuele discussie of biomassa wel daadwerkelijk het klimaat helpt.

Tot slot vroeg het Platform aandacht voor de tegenstelling tussen enerzijds het streven naar schone lucht en anderzijds de ISDE-subsidie op pelletkachels en biomassaketels. Daar blijkt nu onderzoek naar gedaan te worden:

“In het Ontwerp Klimaatakkoord is aangegeven dat in 2019 onderzoek wordt uitgevoerd naar de wenselijkheid van de subsidie voor kleine installaties. Dit onderzoek zal medio 2019 gereed zijn.”

Het Ontwerp Klimaatakkoord zegt hierover:

“Inzet van biomassa in kleinschalige installaties heeft een negatief effect op luchtkwaliteit. Waar de toepassing van biomassa voor energie leidt tot een verslechterde luchtkwaliteit en waar dit mogelijk is, wil het kabinet de luchtkwaliteitsemissienormen aanscherpen voor kleine installaties vanaf 2022 (m.n. NOx en fijnstof).

Het kabinet zal daarnaast als onderdeel van de evaluatie van de ISDE in 2019 kritisch kijken naar de wenselijkheid van verdere stimulering van kleinschalige verbranding van biomassa (pelletkachels en installatie <0,5 MW).”

Hopelijk krijgt deze positieve ontwikkeling een passend vervolg in de afschaffing van de perverse pelletkachel-subsidies, waardoor de vervuiler momenteel niet betaalt, maar zelfs ontvangt.

Geuroverlast door houtstook: een onderschat aspect

Er zijn tegenwoordig zoveel grote bronnen van vervuiling in het nieuws, dat de emissies van houtkachels soms een beetje in het niet lijken te vallen: cruiseschepen/scheepvaart, uitstoot van veeteelt, vliegverkeer etc. Daarom moeten we bij houtstook – die een niet onaanzienlijke bijdrage levert aan het totale fijnstofgehalte in de Nederlandse lucht – niet teveel aansluiten bij wat verschillende soorten vervuiling gemeen hebben, maar ons juist concentreren op dat wat houtstook daarvan onderscheidt: bij voorbeeld de hoge plaatselijke uitstoot van kankerverwekkend benzeen (die bovendien een wettelijke – en op 1 oktober 2017 aangescherpte – grenswaarde heeft), het specifieke lokale karakter op dichtbevolkte plekken, en niet te vergeten: de stánk.

Natuurlijk is de schadelijke uitstoot van houtstook een reden tot grote ongerustheid, maar alleen de geuroverlast zou al genoeg aanleiding tot ingrijpen moeten zijn. Voor de aanwezigheid van bedrijven en landbouw nabij woonkernen is er immers óók een geurbeleid? Met behulp van onder andere de NTA-norm 9065 (Luchtkwaliteit – Geurmetingen – Meten en rekenen geur) probeert de overheid de geuroverlast van deze sector te verminderen en terug te brengen tot een acceptabel niveau.

‘Gezondheid’

Al in 1977 definieerde de Gezondheidsraad – in navolging van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) – het begrip gezondheid als volgt: gezondheid is niet slechts afwezigheid van ziekte of gebreken, maar een toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welbevinden. Bij ‘welbevinden’ speelt ook geurhinder een belangrijke rol. Onderzoek wijst uit dat de kwaliteit van leven afneemt naarmate mensen meer met geurhinder worden geconfronteerd.

Rapporten van bijvoorbeeld het RIVM en de Gezondheidsraad houden zich waar het geurhinder betreft vooral bezig met de emissies van industrie en veehouderijen, omdat ‘vanuit een goede ruimtelijke ordening er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij woningen.’ Naar geurhinder bij woningen ten gevolge van houtstook is nog nooit onderzoek gedaan.

Bij geurhinder zijn een aantal factoren in het spel: de frequentie en duur, evenals de intensiteit en het karakter van de geur. Geurhinder leidt tot aangepast gedrag (denk aan het afplakken van ramen en deuren of aan vermindering van activiteiten buitenshuis) en kan lichamelijke klachten geven als hoofdpijn, prikkeling van slijmvliezen, misselijkheid en slaapproblemen, niet in de laatste plaats vanwege verslechtering van het binnenmilieu door minder gelegenheid tot ventileren.

Dit speelt in sterkere mate voor mensen met astma, allergieën of bepaalde vormen van overgevoeligheid. Ook als mensen (nog) geen lichamelijke klachten ervaren, kunnen ze bezorgd zijn over de kwaliteit van het plaatselijke milieu. Ergernis en ongerustheid over gezondheidsrisico’s kunnen stress en depressie in de hand werken, evenals het gebrek aan controle op de situatie en de wetenschap dat men er zich in zijn eigen woning niet aan kan onttrekken — effecten die in de vorm van ziektekosten en arbeidsverzuim ook een economische impact hebben.

Houtrookoverlast

Houtstook in open haarden en houtkachels is in Nederland de meest genoemde bron van geuroverlast in de directe leefomgeving (RIVM). Uit CBS-cijfers blijkt dat al in 2009 11% van de Nederlandse bevolking hiervan hinder ondervond, méér dan van de geuroverlast door landbouw, verkeer en industrie. Sindsdien is het aantal houtkachels alleen maar toegenomen. Een onderzoek van Motivaction in opdracht van Milieu Centraal uit 2015 concludeert ‘dat bijna de helft van de Nederlanders aangeeft dat houtstoken voor stank zorgt.’

De WHO vindt dat er al sprake is van een probleem wanneer 5% van de bevolking gedurende 2% van de tijd hinder ondervindt door stank. Bij houtstook gaat het om de urenlange dagelijkse belasting van hele woonwijken, ook doordat houtstook steeds vaker wordt toegepast als hoofdverwarming. Dat mag dus wel een groot probleem genoemd worden.

Houtrook die qua geur als bijzonder onaangenaam wordt ervaren kan een indicator zijn voor een slechte verbranding en voor de aanwezigheid van vele andere schadelijke verbindingen in de houtrook. Dit hoeft echter niet altijd samen te gaan: ook houtsoorten van tropische herkomst kunnen bijvoorbeeld een zeer sterke rooklucht opleveren.

Bureau Blauw becijferde dat bij een ‘goede’ verbranding de geur van één houtkachel tot maximaal 700 meter in de omtrek te ruiken valt. Bij een niet-optimale verbranding door verkeerd stookgedrag neemt dit zelfs toe tot 1200 meter. De geurhinder van een cluster van vijf houtkachels kan bij slecht stookgedrag 3 kilometer ver reiken!

Geurbelasting

Onder geurbelasting verstaan we de hoeveelheid geur, waaraan een ‘geurgevoelig object’ – bijvoorbeeld een woning – wordt blootgesteld. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend en wordt uitgedrukt in odour units (OU of geureenheden) per kubieke meter lucht.

Houtstokers hebben de keus uit verschillende houtsoorten en die hebben een verschillend geurprofiel: goed gedroogd beukenhout stoot (aan de bron!) per MJ opgewekte energie 536 OU/m3 lucht uit, tegen vurenhout wel 5217 OU/m3 lucht. De gemiddelde geuruitstoot van verschillende houtsoorten en briketten samen ligt op ongeveer 2430 OU/m3 lucht. De gemiddelde calorische waarde van droog hout ligt per kilogram op 18-20 MJ.

Wat dit betekent voor de geurbelasting van buurwoningen is moeilijk te becijferen en hangt mede af van de hoogte van de schoorsteen, de concentratie, de verspreiding, de weersomstandigheden, de afstand etc. Wanneer we echter weten dat de geurbelasting door veehouderijen aan de gevel van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (woningen) niet meer mag zijn dan 2 tot 3 OU/m3 lucht, dan geeft dat te denken.

Meetmethode

Op het Landelijk Geurcongres 2018 van de Vereniging van Milieuprofessionals (VVM) werden door Bureau Blauw voorstellen gedaan met betrekking tot een toetskader en een meetmethode om te komen tot een aanvaardbaar geurhinderniveau voor houtstook. Dit moet in de toekomst verder ontwikkeld worden. Daarbij gaat het niet alleen om de geur buiten de woning. Stank dringt natuurlijk ook binnen door en blijft daar hangen. Daarom kan een korte piekbelasting buiten tot langduriger overlast binnenshuis leiden.

De uiteindelijke ondervonden overlast hangt mede af van de blootstellingsduur, de blootstellingsfrequentie en de mate van (on)aangenaamheid van de geur (de zogenaamde hedonische waarde). Houtrook heeft daarbij het nadeel dat het door sommige mensen ‘lekker’ wordt gevonden. Dit heeft te maken met de associaties van ‘gezelligheid’ die zij bij het ruiken ervan ervaren en de onbekendheid met de risico’s. Vooral wanneer hout een wat zoetige geur verspreidt, wordt dat positief gewaardeerd. Die geur komt echter van één van de gevaarlijkste bestanddelen, namelijk benzeen. Houtrook bevat ook geurcomponenten die niet schadelijk zijn, maar wel hinder kunnen opleveren.

De hedonische waarde van een geur wordt uitgedrukt in een cijfer op een schaal van -4 tot +4, waarvan alleen het middelste cijfer en de uitersten (dus 0, -4 en +4) zijn gedefinieerd als resp. zeer onaangenaam, neutraal en zeer aangenaam. De (on)aangenaamheid van geuren hangt echter samen met de geurconcentratie, uitgedrukt in odour units per kubieke meter. Bij metingen volgens norm NVN 2818 van het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) wordt de geurconcentratie daarom tegen de hedonische waarde uitgezet.

Hieronder zien we de landelijke doelstelling voor geur in zijn algemeenheid: de hedonische waarde van 0 tot -1 mag in 98% van de tijd niet worden overschreden (percentielwaarde). Bovendien geldt dat er hoogstens 12% gehinderden mogen zijn en niet meer dan 3% ernstig gehinderden.

De GGD-richtlijn voor geurhinder noemt situaties waarin minder dan 5% van de bevolking geurhinder ondervindt ‘goed’:

De hindersystematiek is momenteel alleen uitgewerkt voor landbouw, veehouderijen en industrie. Die sectoren zijn niet zonder meer met elkaar te vergelijken: veehouderijen liggen meestal verspreid in het landelijk gebied, industriële bedrijven niet. Het gaat bovendien om modelberekeningen. Bij geurconcentraties waarbij de hedonische waarde -0,5 of -1 is vindt er over het algemeen bij plannen voor woningbouw een afweging plaats.

Voor deze sectoren geldt dat zij zich meestal op zekere afstand van woningen bevinden. Dat geldt voor houtstook niet: dat vindt midden in dichtbevolkte wijken plaats en vormt dus een uitdaging op zich. Ook het Platform Houtrook en Gezondheid, dat ijvert voor het voorkomen/verminderen van houtrookoverlast in woonwijken, is voorstander van het stellen van eisen aan de maximale geurconcentratie.

Hoog tijd dus dat er een toetskader wordt ontwikkeld voor het geurhinderniveau van houtstook. Want los van alle nadelige gezondheidseffecten die houtstook zonder meer heeft, is alleen al de (vermijdbare!) stankoverlast in woonwijken onacceptabel.

Over (de grenzen van) citizen science

Steeds meer burgers doen zelf metingen om de luchtkwaliteit in hun buurt of stad in de gaten te houden. De meesten van hen hebben geen wetenschappelijke hypotheses of onderzoeksvragen geformuleerd en zijn niet ingevoerd in wetenschappelijke literatuur. Het zijn gewone onbetaalde burgers die gegevens genereren op basis van crowd sourcing.

Natuurlijk is er een verschil tussen meetmethodes ontwikkelen, data vergelijken en conclusies eruit kunnen trekken en louter data verzamelen. Maar toch zijn enthousiaste citizen scientists onmisbaar voor het grote plaatje: hun kracht ligt in hun aantallen en in de grote hoeveelheid gegevens die zij verzamelen, wat fouten van individuen verwaarloosbaar maakt. Het internet heeft ervoor gezorgd dat het delen van informatie en het zichtbaar maken ervan op kaarten steeds makkelijker is geworden. Ook is er meer low-cost meetapparatuur beschikbaar gekomen.

Citizen science kan bovendien helpen burgers te betrekken bij maatschappelijke problemen, zoals bijvoorbeeld luchtverontreiniging, en helderheid verschaffen over hoe dat hun dagelijks leven beïnvloedt. Burgers betrekken bij wat er met hun gegevens wordt gedaan kan ervoor zorgen dat zij langdurig voor projecten ingezet kunnen worden. Het RIVM nodigt dan ook regelmatig mensen uit voor symposia over dit onderwerp.

Voor bepaalde soorten van wetenschappelijk onderzoek zijn grote aantallen data aangeleverd door een leger van ‘werkmieren’ gewoonweg onmisbaar. Vaak gaat het om langdurige en repetitieve handelingen, die tóch niet door instrumenten kunnen worden gedaan.

Een probleem kan zijn dat sommige amateur-meters zich aanmelden voor projecten om persoonlijke of politieke redenen. Zij zijn bijvoorbeeld tegen gaswinning en willen de schadelijke effecten daarvan aantonen en juist díe gegevens verzamelen die dat ondersteunen. Dat kan meetgegevens ‘vervuilen’. Voordat de gegevens van citizen scientists worden gebruikt, moet men ervan verzekerd zijn dat ze objectief zijn.

Ook op het gebied van de uitstoot van open haarden, houtkachels, vuurkorven etc. worden metingen gedaan door burgers. Meestal is dit voortgekomen uit de overlast die zij in hun directe leefomgeving ondervinden en waarvoor zij van hun gemeente geen steun krijgen. De regelgeving op dit punt is ook volkomen ontoereikend.

Burgermetingen kunnen ertoe leiden dat houtrookoverlast hoger op de politieke agenda komt te staan, vooral omdat de overheid zelf geen gerichte metingen uitvoert.

De overheid weet momenteel niet exact hoe hoog de uitstoot van houtkachels in woonwijken is. Zij heeft hiervoor nog nooit professionele apparatuur ingezet, wat merkwaardig is, omdat de uitstoot van verkeer en industrie wél gemonitord wordt. Meetpunten van het RIVM in de bebouwde omgeving staan bijna allemaal op parkeerterreinen, tussen hoogbouw, bij kantoren, ziekenhuizen en pal aan de rand van grote groenstroken en parken. Nooit midden in een woonwijk, zodat lokale vaak zeer hoge houtrookemissies niet meegenomen worden. Eventuele overschrijdingen van de fijnstofnormen gedurende meerdere uren worden bij het presenteren van de cijfers vervolgens (ten onrechte) uitgesmeerd over een etmaal, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld geluidhinder.

Helaas hebben de meetgegevens verzameld door amateurs geen enkele wettelijke status. Het RIVM heeft weliswaar een website in het leven geroepen met betrekking tot samen-meten-aan-luchtkwaliteit, maar houdt ook een slag om de arm:

Voor toetsing aan wettelijke normen zijn goedkope sensoren voorlopig (= jaren) niet geschikt.

Eén van de redenen daarvoor is dat houtrook voor een belangrijk deel bestaat uit ultrafijnstof, en dat kan door eenvoudige sensoren niet gemeten worden. Ultrafijnstof is het bestanddeel van fijnstof met de allerkleinste afmeting: kleiner dan 0,1 micrometer (µm) ofwel 100 nanometer (nm). Dit wordt beschouwd als één van de gevaarlijkste componenten in houtrook. Ook bij een hoge relatieve luchtvochtigheid presteren goedkope sensoren minder goed.

Er is dus alle aanleiding dat er naast burgermetingen door onze overheid zélf metingen gedaan worden met meer geavanceerde apparatuur!

Eén van de aanbevelingen van het Platform Houtrook en Gezondheid, dat ijvert voor het voorkomen/verminderen van houtrookoverlast in woonwijken, is dan ook het ontwikkelen van een meetmethode om onaanvaardbare (geur)overlast en gezondheidsschade objectief vast te kunnen stellen, en zo bijbehorende regelgeving en handhaving mogelijk te maken. Dit belooft helaas een langdurig proces te worden, dus tot het zover is zijn de inspanningen van citizen scientists meer dan welkom!

RIVM: paasvuren aanzienlijke ongerapporteerde bron fijnstof

Vorig jaar berekende Stichting Houtrookvrij dat bij paasvuur Espelo 2017 naar schatting 11 ton fijnstof vrijkwam. Dat zit zo: in 2016 haalden de bouwers een hoogte 18,8 meter met een opgegeven inhoud van 5.714 kubieke meter. Dit komt overeen met een gebouw van bijna zes verdiepingen. We gingen uit van 6.000 kubieke meter gezien het doel van 20 meter en 0,15 ton per kubieke meter snoeihout. Dan gaat er dus zo’n 900 ton snoeihout in rook op.

Met 50 gram fijnstof voor 4 kg hout (zie plaatje, bron: VMM) in de open haard kom je uit op 11.250 kilo fijnstof PM10, ofwel 11 ton. Dat komt, via 300 vrachtwagenkilometers per 4 kg hout in de open haard, weer overeen met 67.500.000 vrachtwagenkilometers. Dat is dus bijna 1.700 keer de wereld rond met een dieseltruck. Uiteraard komen er nog veel meer schadelijke stoffen vrij bij verbranding van hout. Denk aan bijvoorbeeld dioxines, PAK’s, benzeen en koolstofmonoxide.

 

Emissieregistratie

Het RIVM schat in de emissieregistratie de uitstoot van circa 350 verontreinigende stoffen in Nederland. Hoofdbronnen zijn sectoren als chemische industrie, energieopwekking, landbouw, verkeer en consumenten.

Onder die laatste categorie vinden we onder meer “vuurhaarden consumenten” (houtverbranding), maar ook zaken als de uitstoot van vuurwerk, barbecueën en het gebruik van een reek van oplosmiddelen. Zelfs de nationale uitstoot van het branden van kaarsen, het roken van sigaren en het roken van sigaretten is elk in aparte subcategorieën terug te vinden.

In 2017 telden we 116 paasvuren in Drenthe, 110 in Gelderland, 172 in Overijssel, 12 in Friesland en 33 in Groningen. Dat betrof alleen de via de provinciale media aangemelde paasvuren. Verder vonden er nog een onbekend aantal paasvuren in Flevoland plaats.

De meeste paasvuren zijn veel kleiner dan de megabulten van Espelo en Dijkerhoek. Maar toch, als we er conservatief van uitgaan dat al deze 443 paasvuren – inclusief de megabulten zelf – een omvang van slechts 10% van de grootste houtstapels hebben, dan praten we over een totaal van 450 ton fijnstof. Dat is bijvoorbeeld 50% meer dan fijnstof door vuurwerk (298 ton). Reden genoeg om te veronderstellen dat paasvuren ook een eigen plekje verdienen in de emissieregistratie.

Fijnstof

Wij legden daarom deze vraag vorig jaar voor aan het RIVM. Zij rekenden ons in een eerste grove schatting – met 13,6 MJ energie voor een kilo hout en 161 gram fijnstof per GJ energie – voor dat het paasvuur van Dijkerhoek van 5.431 kuub zo’n 1,8 ton aan fijnstof opleverde.

Het verschil zit hem in de emissiefactor: het RIVM gebruikt in deze eerste opzet de algemene Nederlandse emissiefactor sfeerverwarming tegenover de hogere Vlaamse emissiefactor voor open haarden uit onze schatting. Deze emissiefactor van het RIVM is een gemiddelde van verbranding in onder andere houtkachels, waarbij aanzienlijk minder fijnstof vrijkomt dan bij open vuur.

Een goede inschatting maken is natuurlijk lastig. De omvang en samenstelling van de vuren verschillen sterk. Hoeveel zijn er jaarlijks en hoe groot? Ligt er een kern van pallets? Hoeveel snoeihout, grof hout, fijn hout? En hoe vochtig is het hout? Dat hangt weer af van hoe vroeg met de bouw is begonnen.

Over het algemeen kunnen we wel stellen dat de omstandigheden wijzen op een relatief grote vervuiling door paasvuren: veel vers, vochtig snoeihout dat op de meest inefficiënte manier wordt verbrand. De enorme rookpluimen in bovenstaand filmpje spreken boekdelen.

Het RIVM is van mening dat hun “eerste schatting voldoende aanleiding geeft om deze bron nader te bekijken op relevantie voor het opnemen in onze emissieregistratie.” Zorgvuldigheid is belangrijk. De onderzoekers geven daarom aan wel na te moeten gaan “op welke manier we jaarlijks aan consistente en betrouwbare activiteitsgegevens kunnen komen (of een schatting daarvan). Verder zullen we met deskundigen een onderbouwde emissiefactor moeten vaststellen.”

Verbeterpunten

Zulk onderzoek kost tijd en geld. In 2017 was het budget voor verbeteringen van de emissie-inventarisatie reeds volledig toegewezen. Het RIVM gaf aan paasvuren mee te nemen in de groslijst van verbeteringen voor 2018. De prioritering van deze verbeterpunten “komt tot stand op basis van brongrootte, onzekerheden, beleidsrelevantie en aanwijzingen vanuit internationale verplichtingen.”

Wij hopen dat het RIVM spoedig middelen voor onderzoek kan vrijmaken om paasvuren toe te voegen aan de emissieregistratie. Zo kan iedereen een duidelijker beeld kan krijgen van de immense milieuvervuiling en bijbehorende gezondheidsrisico’s die deze paastraditie met zich meebrengt.

Het beschermen en levend houden van folklore en tradities is een groot goed. Maar de vraag rijst of het wenselijk is om de paasvuur-traditie – in de huidige tijd en op deze nog steeds uitdijende schaal – zo in stand te houden.

Volkskrant: Uitspraak Vlaamse Milieu Maatschappij klopt!

VMM

De Volkskrant onderzocht de bewering van de Vlaamse Milieu  Maatschappij of het wel klopt dat twee uur houtvuur stoken te vergelijken is met tien uur autorijden? De conclusie: het klopt!!

Lees het artikel in de Volkskrant.

Bekijk ook de bijbehorende infographic van VMM.

Testgebruikers gezocht voor de ontwikkeling luchtkwaliteit-app (juli)

Het RIVM zoekt momenteel testgebruikers die in bezit zijn van een iPhone of iPad. De testversie is helaas niet beschikbaar voor andere smartphones. Heb jij een iPhone en wil je het RIVM helpen? Lees dan hieronder verder en meld je aan. Dan ontvang je een mail met uitleg en de downloadlink.

8% van de bevolking aan dat ze één of meer chronische aandoeningen van de luchtwegen hebben. Van hen gebruikt een groot aantal medicijnen gedurende perioden met slechte luchtkwaliteit, tijdens het hooikoorts seizoen of bij bepaalde weersomstandigheden. Hierbij is niet voor iedere persoon duidelijk voor welke aspecten van “slechte luchtkwaliteit” of andere omgevingsfactoren men gevoelig is, en in welke mate. Gaat het om pollen, fijnstof, ozon, uitlaatgassen of toch iets heel anders?

In samenwerking met Milieudefensie, Longfonds, IRAS en ondersteund door studenten van de Hogeschool Rotterdam is het RIVM bezig met de bouw van de “Ik heb nu Last”-App. Met behulp van deze App kunnen mensen met een druk op een knop aangeven wanneer ze last hebben van hun luchtwegen. Door koppeling van deze melding aan diverse omstandigheden, zoals de luchtkwaliteit, wordt een patroon in kaart gebracht. Hopelijk kan met dat patroon op persoonsniveau een voorspelling van de gevoeligheid voor verschillende componenten in de lucht worden gemaakt. Gebruik van de App kan zowel als geregistreerd gebruiker als volstrekt anoniem.

De eerste beta(test)-versie van de “Ik heb nu Last”-App is beschikbaar voor tests. We hebben nu vrijwilligers nodig die de App willen testen en feedback willen leveren.

Meld je nu aan bij Meld je nu aan bij Joost Wesseling van het RIVM van het RIVM en dan ontvang je een uitgebreide uitleg en downloadlink. Joost ontvangt graag alle commentaar, bugs en suggesties. Je bent ook van harte welkom als tester als je geen last hebt van je luchtwegen!